Tragische vliegtuigramp in Huizingen

EEN NOODLOTTIGE OEFENVLUCHT

Op 13 mei 1945 rond de middag stegen twee Amerikaanse bommenwerpers op in de militaire basis in Florennes voor een oefenvlucht in ‘low level navigation’ waarbij zeer laag over een bosrijk gebied werd gevlogen. De omstandigheden waren gunstig te noemen: heldere hemel, goede zichtbaarheid maar een gure zuid-zuidoosten wind tot 10 mijl per uur. Het eerste vliegtuig o.l.v. vluchtleider Dominy maakte een scherpe bocht naar links boven het centrum van Huizingen. Het tweede toestel o.l.v. luitenant Whitehead, dat nog 50 à 150 voet lager vloog, kon de neogotische kerktoren en de huizen van de Kesterbeeklaan nog nipt ontwijken maar raakte met de rechtervleugel een bomenrij, raakte uit balans, raakte de grond met de rechtervleugel en de neus, stortte neer en ‘ontplofte en spatte in duizenden stukken uit elkaar’ omstreeks 14.45u. Gealarmeerd door de knallen lokte de ramp heel wat kijklustigen die zich vergaapten aan de kraters, de verspreide brokstukken en een paar verbrande koeien.  

  

DE OMGEKOMEN BEMANNINGSLEDEN

De acht bemanningsleden hadden geen schijn van kans om zich nog in veiligheid te brengen door de geringe hoogte. Allen kwamen om het leven. Alle bemanningsleden behoorden tot de 494th Bomber Squadron Unit Group 344th Bombardment Group, Medium, met uitzondering van William Drennon die tot de 74th Squadron Unit Group 42nd Air Service Group behoorde.

Piloot Clyde T. Whitehead, onderluitenant, was 29 jaar (geboren in 1916) en afkomstig uit Browns Creek in West-Virginia. Zijn ouders waren Carl en Ida Withehead. Hij nam dienst in het leger op 12 juli 1942 in Charleston. Hij ligt begraven op de Amerikaanse militaire begraafplaats in Neupré.

Co-piloot Sammie E Jr. Teague, adjudant, was 25 jaar en werd geboren op 3 december 1919 in Texas. Hij was gehuwd met Lilian G.Works en woonde in Tom Green County. Hij nam dienst op 20 mei 1943 in Oklahoma City. Hij ligt eveneens begraven in Neupré.

Bommenrichter Richard Wallace Paulsen, luitenant, was 22 jaar en werd op 21 oktober 1922 geboren in Chicago. Zijn ouders waren Harry  R. Paulsen en Kathryn M. Paulsen. Hij ligt begraven op de begraafplaats Blue Island in Illinois.

Navigator Glenn Owen Waters, onderluitenant, was 25 jaar oud en werd geboren op 13 juni 1919. Als familie wordt alleen zijn moeder Clara Waters vermeld. Hij ligt begraven op het Forest Law Park in Glendale (Los Angeles).

  

Boordmecanicien Robert Glenn Ridell, sergeant, was 21 jaar en werd op 13 september 1923 geboren in New York. Geen verdere familiegegevens bekend. Hij ligt begraven op het Woodlawn National Cemetery in New York.

  

Boordschutter Morris Van Treese, sergeant, was 26 jaar en werd geboren in Pennsylvania.  Hij was gehuwd met Stella Van Treese en had een dochter Laneel. Hij ligt begraven op het Fort Sam Houston Cemetery in Texas.

Boordschutter Irvin F. Van Blargan, sergeant, was 19 jaar en werd geboren op 20 mei 1925 in Pennsylvania. Zijn ouders waren Benjamin I Van Blargan en Alice R. Van Blargan. Hij nam op 26 juli 1943 dienst in Allentown. Hij ligt begraven in Neupré. 

Passagier William Drennon, korporaal, was 20 jaar en werd in 1924 geboren in Lincoln City (Tennessee). Hij nam dienst op 11 mei 1943 in Camp Forrest. Geen verdere familiegegevens bekend. Hij ligt begraven in Neupré. We vermoeden dat hij niet louter passagier was op de tragische vlucht, maar veeleer waarnemer of fotograaf.

We kunnen enkel betreuren dat deze jonge mannen, de meesten voerden al anderhalf jaar bijzonder risicovolle ‘bombing missions’ uit in Europa, op deze dramatische manier om het leven kwamen, vijf dagen na de Duitse overgave. Zij stonden als het ware klaar om terug huiswaarts te keren en aan een nieuw hoofdstuk in hun nog jonge leven te beginnen. De oudste was amper 29 jaar en de jongste slechts 19 jaar. 

HUN MILITAIRE EENHEID

Het 344th Bombardement Group werd, na opleiding in de States, in januari 1944 in Stansted (Engeland) gelegerd en volop ingezet om tactische doelen in Frankrijk, België en Nederland te bombarderen. We denken hierbij aan bruggen, rangeerstations, voorraad- en munitiedepots en vliegvelden. Ze namen deel aan de landing in Normandië op D-Day toen ze tactische stellingen in Cherbourg bombardeerden. Later werd ook Caen gebombardeerd.

Hun Commander was kolonel Robert W. Witty. Op 30 september 1944 werd hun uitvalsbasis het vliegveld in het Franse Corneilles-en-Vexin, nabij de Franse hoofdstad. Vanaf dan werden vooral raids op Duitsland ondernomen om strategische doelen te bombarderen, wat natuurlijk zeer gevaarlijk was door het vele Duitse luchtafweergeschut. Eind 1944 werd ook luchtsteun gegeven aan de verbeten Amerikaanse troepen tijdens de befaamde ‘Battle of the Bulge’ in de Belgische Ardennen.

Toen de Tweede Wereldoorlog bijna afgelopen was, op 5 april 1945 om meer precies te zijn, werd verhuisd naar het vliegveld in Florennes, vanwaar ook het in Huizingen neergestorte toestel opsteeg. Ze waren dus nog maar een paar weken in België gelegerd.

DE OORZAAK?

We weten dat er zeer veel ongelukken gebeurden met dit type vliegtuig door technische moeilijkheden bij het opstijgen of landen. Door het logge gewicht was het toestel moeilijk manoeuvreerbaar. Vermoedelijk schatte de piloot een manoeuvre verkeerd in met fatale gevolgen voor de hele bemanning. Hij trachtte nog een noodlanding te maken in de open vlakte van de Beemd maar de kapotte rechtervleugel zorgde ervoor dat het toestel ging tollen en om zijn as draaide. ‘GL of ‘ground looped’ staat er in het officiële verslag te lezen.

EEN OOGGETUIGE AAN HET WOORD

Frans Samyn was slechts zeven jaar in 1945 en woonde samen met zijn ouders, broers en zussen in de Kesterbeeklaan nummer 3. Het ongeluk maakt een grote indruk op hem:

’t Was een zonnige zondagnamiddag in de meimaand. De eerste zondag van mei vond normaliter de jaarlijkse bedevaart naar Alsemberg plaats maar uitzonderlijk -en dat heb ik pas recent vernomen- ging de bedevaart dat jaar op de tweede zondag uit namelijk 13 mei. Ik was nog te klein om mee te mogen want de voettocht was een stevige 15 km. Samen met mijn zusje en broertje waren we die dag gewoon aan ’t spelen op het koertje van ons huis op de Kesterbeeklaan.

Plots werden we opgeschrikt. Ik keek naar de lucht en zag een groot, laag overvliegend vliegtuig. Het scheerde rakelings boven de huizenrij van de Kesterbeeklaan met korte tijd daarna zeer rare geluiden, gevolgd door iets dat klonk als dondergerommel. We keken elkaar verbaasd aan en beseften dat er iets aan de hand was met dat vliegtuig. Ik rende de straat op. Deze lag bezaaid met kapotte dakpannen. Ik rende onmiddellijk richting Beemd en zag aan de tuinmuur van de pastorij metershoge afgeknakte populierenstammen die wel reuze-splinters leken. Ik liep zo snel ik kon langs de Molenbeek verder de Beemd in. In de weide van de kartonfabriek Goossens, links van de weg, lagen her en der afgerukte takken.

De oudste dochter van Henri Goossens, Jeanneke meen ik, vertelde me later dat ze buiten in het zonnetje een boek zat te lezen en zich een aap schrok van het oorverdovend lawaai en tot overmaat van ramp een hele vleugel van een vliegtuig voor haar voeten zag neerploffen. Als bij wonder bleef zij ongedeerd. De vleugel is daar trouwens nog enkele dagen blijven liggen totdat hij samen met de andere brokstukken opgeruimd werd door Amerikaanse militairen.

Toen ik halverwege de Beemd was, besefte ik pas dat er iets ergs was gebeurd maar het ging allemaal zeer vlug. Als kind besefte ik de ernst van dit drama niet. Ik zag in de verte dikke rookmassa’s en daartussen een echte gloed van hoge geelrode vlammen. Naarmate ik de plek naderde, kwam een steeds sterker wordende vreemde geur mij tegen. De vuurhaard situeerde zich precies op de plek waar nu het voetbalveld ligt.

Ik stond daar als één der eersten want ik had me de ziel uit het lijf gelopen om te kunnen zien wat er gebeurd was. Korte tijd later kwamen mensen van alle kanten toegelopen uit de tuinen van de Vaucampslaan en de Molenstraat. Een vuurzee met steekvlammen van wel tien meter hoog en een grote hitte, hield iedereen automatisch op een zekere afstand. Dit ging gepaard met een onophoudelijke reeks van hevige knallen en ontploffingen van oorlogsmunitie en grote mitrailleurkogels, hetgeen iedereen deed schrikken. En toch bekroop me steeds weer de neiging om dichterbij te geraken.

Plots zag ik een kudde aanstormende koeien in dolle vaart in onze richting lopen. De dieren bleken afschuwelijk verbrand door de uiteengespatte brandende kerosine. De meesten hadden grote, open wonden van verschroeid vlees en flarden vel hingen bengelend aan hun rug. Naar ik later vernam, werden meerdere koeien diezelfde dag nog afgemaakt. Enkele konden toch nog gered worden en vervolgens op stal genezen van hun brandwonden.

In mijn naaste omgeving hoorde ik opeens de stem van “Jan va Loikke” -Jan Demol- luid roepend dat iedereen zich moest terug trekken en plat op de buik moest liggen uit vrees voor de ontploffingen en om niet vertrappeld te worden door de in het rond springende koeien. Net op dat moment viel Jan pardoes achterover, recht in één van de sloten van de Beemd: kletsnat, van kop tot teen, sakkerend en vloekend kroop hij recht en trok zich terug tussen de fel aangegroeide volksmassa.

Niemand was in staat hulp te bieden aan de inzittenden van het vliegtuig. Na enige tijd raasden enkele legervoertuigen van de Amerikaanse militaire brandweer met grote witte sterren, gevolgd door Rode Kruiswagens en legerjeeps via de Vaucampslaan de Beemd in. De voertuigen reden overal doorheen: afsluitingen van weiden, kleine boompjes en struiken, er werd voor niets gestopt, recht naar de brandende brokstukken toe. Soldaten sprongen uit de voertuigen, er werd geroepen en getierd, de ramptoeristen werden brutaal aangemaand om te vertrekken, speciale beschermpakken werden in ijltempo aangetrokken, militairen liepen heen en weer, voertuigen reden langs alle kanten rond de vuurzee en men rolde lange slangen uit naar de Molenbeek waarna er met volle kracht gespoten werd naar alles wat ook maar brandde. Ook zij moesten af en toe dekking zoeken voor de hevige explosies.

De kraters die werden geslagen lieten vermoeden dat er nog springstoffen aan boord van het toestel moeten geweest zijn. Heel langzaam verminderde de hevigheid van de brand. Intussen was ik stiekem verder gelopen over het inmiddels verdwenen sasbrugje van de Molenbeek tot bij de Rode Kruiswagens aan de oude watermolen. Daar zag ik dat er meerdere lichamen gevonden waren tussen de zwartgeblakerde, rokende wrakstukken. Ze werden op veldbedden door ambulanciers weggedragen en neergezet in de nabijheid van de oude watermolen. Vanop een afstand van 15 à 20 meter zag ik de verkoolde lichamen, grotendeels verborgen onder de kaki-dekens. Er hing een rare geur rond de lijken. Ze werden tamelijk vlug in militaire ziekenwagens gelegd en weggebracht.

Een paar dagen nadien, wanneer alle grote brokstukken geruimd waren, konden we tot bij de kraters en zochten stukjes mika bijeen, een stof die we niet kenden. Anderen zochten aluminium moeren, nog een metaal dat we niet kenden. Daar werden na veel vijlwerk, ringetjes uit gemaakt. Eén van de twee - in mijn ogen enorm grote - voorwielen van het toestel, was bijna 100 meter verder gekatapulteerd tot over de Molenbeek.

beeld 1 crash.jpg beeld 2 crash.jpg beeld 3 crash.jpg 014.jpg 015.jpg 016.jpg 017.jpg 018.jpg 021.jpg 022.JPG graf-waters.jpg

Openingsuren & contact

Archief

adres
Alsembergsteenweg 10461652 Alsemberg
tel.
02 359 17 40
e-mail
archief@beersel.be